Verlegen begroet ik de jongens die buiten staan te roken, grijze sierlijke kronkels stijgen op van het gloeitopje tussen hun vingers, waarvan ze het andere uiteinde af en toe nonchalant naar hun mond brengen. Ze beantwoorden mijn begroeting met een knikje en een glimlach, een glimlach die meer zegt dan alleen ‘hallo’, het is alsof ze me stuk voor stuk confronteren met de wetenschap voor wie ik hier naartoe gekomen ben. Ik overweeg te blijven staan, om hun glimlach te ontkennen, maar bedenk me, omdat ik weet dat ze me enkel naïef zullen vinden vanwege zo’n besluit dus loop ik hun voorbij en ga naar binnen.
Net wanneer ik diep adem wil halen in de hoop mijn hartslag terug naar een normaal tempo te brengen, slaat mijn hart een tik over bij ons plotse treffen. Geheel overdonderd om jou bij binnenkomst achter een tafeltje te zien zitten, in dezelfde houding en dezelfde kleding waarmee ik je eerder op een foto heb gezien, vergeet ik mijn koelbloedige strategie en val terug in geagiteerde schroom. Na enige seconden van ongemakkelijkheid vraag je me om mijn arm, waarna je met zorg een bandje om mijn pols doet, dat ter bewijs dient dat ik alcoholische dranken mag nuttigen.
Ik vraag jou of het al een beetje druk is, waarop je me aanspoort om te gaan kijken. Ik neem de trap naar boven, waar een zaal is ingericht om het feest te houden. Boven tref ik leegte. Enkel de barman, een oud, fragiel uitziend meneertje en zijn wulpse hulpje achter de toog en een jonge gast achter de draaitafel vullen de ruimte met leven. De ballonnen hangen er bij alsof ze verdriet hebben om de schrale opkomst en ook de overvloed aan apparatuur lijkt te verlangen naar dansend volk.
Na een drankje gehaald te hebben, loop ik langzaam terug naar beneden. Ik kijk hoe je naar me lacht, wetende wat ik boven heb gezien. Daarna draai je je hoofd weg en houdt je bezig met het ordenen van wat er voor je op tafel ligt, wat me lichtelijk frustreert. Ik zet me naast je op een stoel, laat mijn blik over je halflange bruine haar glijden, waarvan jij blijft volhouden dat het blond is en waar door de onderliggende krullen een inwendige explosie lijkt te hebben plaats gevonden. Het valt me op dat je je geschoren hebt, ik vind het niet mooi, maar ga toch vleiend met mijn wijsvinger over je nu gladde wang, al is het enkel om je aandacht even te vangen. Het overgebleven sikje en je aanwezige bakkebaarden doen me aan iemand denken, je bent me voor.
“Als ik nu Scooby Dooby Doo where are you roep, op wie lijk ik dan?”
“Shaggy!” Ik schiet in de lach om de gelijkenis. “Do you want a Scooby snack?” Vraag ik je uitdagend. Een beetje geschrokken door mijn ongeremde opmerking, durf ik je niet meer aan te kijken en de kus die er achteraan had moeten komen, blijft uit. Je wordt onrustig, zoals ik je vaker gezien heb wanneer je behoefte hebt aan een sigaret. Je staat op, laat me weten dat je er buiten eentje gaat roken en loopt weg. Van binnen raak ik in paniek, ‘waarom laat je me nu gewoon zitten, waarom nodig je me niet uit mee naar buiten te gaan? Je weet toch dat ik enkel en alleen naar hier ben gekomen om jou te zien!’ Bij de laatste gedachte word ik boos, op mezelf, dat wat ik al die tijd wilde ontkennen, wil ik je nu keihard toeroepen. ‘Waarom doe je net of je het niet ziet…’ Ik verdring de gedachten en blijf zo onaangedaan mogelijk zitten, je achterna gaan is het stomste wat ik kan doen. Langzaam sta ik recht, overwegend of ik naar boven zal gaan om het me gemakkelijk te maken in een van de leren fauteuils die boven in het gezelschap van sfeervol kaarslicht staan. Tot mijn grote voldoening komen Stefan en Bram net naar binnen die ook tot het besluit waren gekomen om binnen nog eens een kijkje te nemen.
“En, al zenuwachtig?” Klinkt de aangename stem van Stefan, die me in alle
zachtaardigheid aankijkt en al klaar staat om me gerust te stellen, nog voor ik antwoord heb gegeven. Al vanaf onze eerste ontmoeting was ik van mening, dat ik - in alle nuchterheid en mijmeringen - geen persoon zo fideel als hem op mijn pad heb mogen treffen.
“Ja,” kan ik niet ontkennen, “ik ben vreselijk zenuwachtig, ik slaap slecht en voel het constant vanbinnen borrelen, wat als…”
“Neen, niks wat als… Je gaat sowieso slagen, dan heb je je diploma en ga je naar Gent. Gent was het toch, hè? Engels en…”
“Spaans.” Vul ik hem aan.
We glimlachen naar elkaar en ik geniet van de aangename, stille plooi van zijn lippen die speels kuiltjes in zijn volle wangen veroorzaakt.
dinsdag 27 oktober 2009
maandag 26 oktober 2009
alvast een eerste deeltje
Nemesis’ melancholie
Haastig strijk ik enkele losse plukjes haar uit mijn ogen. Ze tranen door het laagje mascara op mijn nu erg lange en donkere wimpers. Vervolgens druk ik met klamme hand het voorste plukje van links naar rechts plat op mijn voorhoofd en steek het geforceerd vast met een schuifspeldje. De rest van mijn haar krijgt geen aandacht, enkel de juist vast gestoken streng haar die constant de neiging heeft om op te krullen, wordt met ongenadige hand op zijn plek gebracht.
Gemaakt nonchalant neem ik wat kledingstukken uit mijn pas opgeruimde kast en trek ze zonder er te veel bij na te denken aan over het ondergoed dat ik in tegenstelling tot de rest wel degelijk uitgezocht had. Ik probeer er niet bij stil te staan hoe absurd dit is en ren de trap af naar de woonkamer, waar moeder geanimeerd mijn chaotische voorkomen gadeslaat.
“Liefje, als ga jij voor hem naar de feest, moet je zonder woorden laten zien dat jij voor hem komt” met ferme, maar tevens liefkozende hand fatsoeneert ze de kraag van mijn vestje, waarna ze vervolgt “je moet zorgen ervoor dat hij, tussen al die andere mensen naar jou verlangt.”
“Zeg niet zulke dwaze dingen, mama, ik wil me niet optutten voor een jongen” ‘en zeker niet voor hem’ denk ik. Ik kijk nors naar buiten, wil de avondlucht proeven, terwijl mama een poging doet mijn warrige kapsel te modelleren. Vanuit mijn ooghoeken zie ik haar miskeurend haar hoofd schudden. Voorzichtig laat ik blijken dat ik genoeg heb van haar gefrunnik en maak aanstalten om te vertrekken.
“Ik ga alleen, op de fiets, om drie uur ben ik thuis” ik zucht en wanneer ik zie dat ze me nog ergens op wil wijzen, vervolg ik “en ja, ik neem de sleutel mee.” Ik druk een kus op haar voorhoofd, pak mijn tas en stap naar buiten, de warmte in. Buiten gun ik me een blik in het raam en vervloek mezelf om mijn gedwongen stoïcisme.
Deze zwoele avond die het einde van de lente en het begin van de zomer aankondigt, voelt lichtelijk onwennig aan. Ik realiseer me dat het zeker een jaar geleden is dat ik zonder jas en zonder fietslichten naar het stadscentrum gereden ben om uit te gaan, weeral een jaar voorbij. Nu fiets ik voorbij het centrum naar een oude bierbrouwerij. De vlakke, verlaten weilanden dwingen me in mijn tas te graaien naar mijn zonnebril tegen de frontale confrontatie met zonsondergang. Ik voel mijn zere hielen in mijn eigenlijk te kleine all stars en probeer me te concentreren op de muziek uit de dopjes in mijn oren. Zonder geluid zing ik mee met een liedje over Nemesis, de Griekse godin van de wrekende gerechtigheid. De stem van de Deense zanger in zijn ‘non-native’ Engels doet me zwijmelen. Ik stel dat hij mij zou begrijpen, de blonde man die met zijn bevallige stem in mijn hoofd zingt, gerechtigheid, duidelijkheid, dat wat mij toekomt. De straat uitrijdend, kom ik weer in de bewoonde wereld en ik weet dat ik de gemetselde, witte muren met het oud blauwe uithangbord en de grauw geworden halve maan ieder moment in mijn blikveld zal vinden, wat me een beetje nerveus maakt.
Gemaakt nonchalant neem ik wat kledingstukken uit mijn pas opgeruimde kast en trek ze zonder er te veel bij na te denken aan over het ondergoed dat ik in tegenstelling tot de rest wel degelijk uitgezocht had. Ik probeer er niet bij stil te staan hoe absurd dit is en ren de trap af naar de woonkamer, waar moeder geanimeerd mijn chaotische voorkomen gadeslaat.
“Liefje, als ga jij voor hem naar de feest, moet je zonder woorden laten zien dat jij voor hem komt” met ferme, maar tevens liefkozende hand fatsoeneert ze de kraag van mijn vestje, waarna ze vervolgt “je moet zorgen ervoor dat hij, tussen al die andere mensen naar jou verlangt.”
“Zeg niet zulke dwaze dingen, mama, ik wil me niet optutten voor een jongen” ‘en zeker niet voor hem’ denk ik. Ik kijk nors naar buiten, wil de avondlucht proeven, terwijl mama een poging doet mijn warrige kapsel te modelleren. Vanuit mijn ooghoeken zie ik haar miskeurend haar hoofd schudden. Voorzichtig laat ik blijken dat ik genoeg heb van haar gefrunnik en maak aanstalten om te vertrekken.
“Ik ga alleen, op de fiets, om drie uur ben ik thuis” ik zucht en wanneer ik zie dat ze me nog ergens op wil wijzen, vervolg ik “en ja, ik neem de sleutel mee.” Ik druk een kus op haar voorhoofd, pak mijn tas en stap naar buiten, de warmte in. Buiten gun ik me een blik in het raam en vervloek mezelf om mijn gedwongen stoïcisme.
Deze zwoele avond die het einde van de lente en het begin van de zomer aankondigt, voelt lichtelijk onwennig aan. Ik realiseer me dat het zeker een jaar geleden is dat ik zonder jas en zonder fietslichten naar het stadscentrum gereden ben om uit te gaan, weeral een jaar voorbij. Nu fiets ik voorbij het centrum naar een oude bierbrouwerij. De vlakke, verlaten weilanden dwingen me in mijn tas te graaien naar mijn zonnebril tegen de frontale confrontatie met zonsondergang. Ik voel mijn zere hielen in mijn eigenlijk te kleine all stars en probeer me te concentreren op de muziek uit de dopjes in mijn oren. Zonder geluid zing ik mee met een liedje over Nemesis, de Griekse godin van de wrekende gerechtigheid. De stem van de Deense zanger in zijn ‘non-native’ Engels doet me zwijmelen. Ik stel dat hij mij zou begrijpen, de blonde man die met zijn bevallige stem in mijn hoofd zingt, gerechtigheid, duidelijkheid, dat wat mij toekomt. De straat uitrijdend, kom ik weer in de bewoonde wereld en ik weet dat ik de gemetselde, witte muren met het oud blauwe uithangbord en de grauw geworden halve maan ieder moment in mijn blikveld zal vinden, wat me een beetje nerveus maakt.
de opzet
Nemesis' melancholie/ Sinistere Euforie
Beste lezer,
Volg hier mijn verhaal aan jou, ofwel aan hem, als jij niet de 'je-persoon in kwestie' bent.
Het zal in delen op deze blog verschijnen, niet geheel cynchronisch, aan jou te beslissen/ontcijferen hoe dit web aan woorden, zinnen en alles tussen de regeltjes door in elkaar past, zoals 'jij' mij ook eens gulzig jouw verhaal hebt laten oplossen, begrijpen, uitpluizen, dromen...
Zo, ik heb nog twee maanden om het af te schrijven voor je voor een dik half jaar naar Montpellier vertrekt. Hopelijk zal 'jij' het voor die tijd als pakketje in jouw postbus vinden en het met je mee laten reizen naar zo zonnig oord. Maar voor jou, beste lezer, hoop ik dat je me de vele postzegels bespaart en zoals als trouwe blogger af en toe eens een bezoekje brengt aan mijn afgelopen zomervakantie.
Vaarwel voor nu, maar zeker tot gauw!
Kusje Ica.
Beste lezer,
Volg hier mijn verhaal aan jou, ofwel aan hem, als jij niet de 'je-persoon in kwestie' bent.
Het zal in delen op deze blog verschijnen, niet geheel cynchronisch, aan jou te beslissen/ontcijferen hoe dit web aan woorden, zinnen en alles tussen de regeltjes door in elkaar past, zoals 'jij' mij ook eens gulzig jouw verhaal hebt laten oplossen, begrijpen, uitpluizen, dromen...
Zo, ik heb nog twee maanden om het af te schrijven voor je voor een dik half jaar naar Montpellier vertrekt. Hopelijk zal 'jij' het voor die tijd als pakketje in jouw postbus vinden en het met je mee laten reizen naar zo zonnig oord. Maar voor jou, beste lezer, hoop ik dat je me de vele postzegels bespaart en zoals als trouwe blogger af en toe eens een bezoekje brengt aan mijn afgelopen zomervakantie.
Vaarwel voor nu, maar zeker tot gauw!
Kusje Ica.
Abonneren op:
Reacties (Atom)
