maandag 26 oktober 2009

alvast een eerste deeltje


Nemesis’ melancholie
Haastig strijk ik enkele losse plukjes haar uit mijn ogen. Ze tranen door het laagje mascara op mijn nu erg lange en donkere wimpers. Vervolgens druk ik met klamme hand het voorste plukje van links naar rechts plat op mijn voorhoofd en steek het geforceerd vast met een schuifspeldje. De rest van mijn haar krijgt geen aandacht, enkel de juist vast gestoken streng haar die constant de neiging heeft om op te krullen, wordt met ongenadige hand op zijn plek gebracht.
Gemaakt nonchalant neem ik wat kledingstukken uit mijn pas opgeruimde kast en trek ze zonder er te veel bij na te denken aan over het ondergoed dat ik in tegenstelling tot de rest wel degelijk uitgezocht had. Ik probeer er niet bij stil te staan hoe absurd dit is en ren de trap af naar de woonkamer, waar moeder geanimeerd mijn chaotische voorkomen gadeslaat.
“Liefje, als ga jij voor hem naar de feest, moet je zonder woorden laten zien dat jij voor hem komt” met ferme, maar tevens liefkozende hand fatsoeneert ze de kraag van mijn vestje, waarna ze vervolgt “je moet zorgen ervoor dat hij, tussen al die andere mensen naar jou verlangt.”
“Zeg niet zulke dwaze dingen, mama, ik wil me niet optutten voor een jongen” ‘en zeker niet voor hem’ denk ik. Ik kijk nors naar buiten, wil de avondlucht proeven, terwijl mama een poging doet mijn warrige kapsel te modelleren. Vanuit mijn ooghoeken zie ik haar miskeurend haar hoofd schudden. Voorzichtig laat ik blijken dat ik genoeg heb van haar gefrunnik en maak aanstalten om te vertrekken.
“Ik ga alleen, op de fiets, om drie uur ben ik thuis” ik zucht en wanneer ik zie dat ze me nog ergens op wil wijzen, vervolg ik “en ja, ik neem de sleutel mee.” Ik druk een kus op haar voorhoofd, pak mijn tas en stap naar buiten, de warmte in. Buiten gun ik me een blik in het raam en vervloek mezelf om mijn gedwongen stoïcisme.
Deze zwoele avond die het einde van de lente en het begin van de zomer aankondigt, voelt lichtelijk onwennig aan. Ik realiseer me dat het zeker een jaar geleden is dat ik zonder jas en zonder fietslichten naar het stadscentrum gereden ben om uit te gaan, weeral een jaar voorbij. Nu fiets ik voorbij het centrum naar een oude bierbrouwerij. De vlakke, verlaten weilanden dwingen me in mijn tas te graaien naar mijn zonnebril tegen de frontale confrontatie met zonsondergang. Ik voel mijn zere hielen in mijn eigenlijk te kleine all stars en probeer me te concentreren op de muziek uit de dopjes in mijn oren. Zonder geluid zing ik mee met een liedje over Nemesis, de Griekse godin van de wrekende gerechtigheid. De stem van de Deense zanger in zijn ‘non-native’ Engels doet me zwijmelen. Ik stel dat hij mij zou begrijpen, de blonde man die met zijn bevallige stem in mijn hoofd zingt, gerechtigheid, duidelijkheid, dat wat mij toekomt. De straat uitrijdend, kom ik weer in de bewoonde wereld en ik weet dat ik de gemetselde, witte muren met het oud blauwe uithangbord en de grauw geworden halve maan ieder moment in mijn blikveld zal vinden, wat me een beetje nerveus maakt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten